Gerard Dummer

Alles over Onderwijs en ICT.

Browsing Posts tagged social media

Gisteren heb ik op het Oranje Nassau College in Zoetermeer een presentatie gegeven aan docenten over social media. Die presentatie zie je hier onder.

Ik moet zeggen dat ik zelf maar matig tevreden was over de bijeenkomst. Het onderwerp social media is zo breed dat uitleg geven over het onstaan en een overzicht geven van de mogelijkheden al snel leidt tot een opsomming van verschillende diensten. Analyse van mijzelf achteraf was dat ik het onderwerp veel sterker had kunnen linken naar mediawijsheid (waaronder informatievaardigheden) omdat dit een logisch gevolg is voor het onderwijs. Voelde me achteraf dus op het verkeerde been gezet (door mijzelf).

In de tijd dat we praten over web 2.0, 3.0 en 4.0 is het volgens mij goed om eens te kijken naar web 0.0. Oftewel het offline web waarin we voor de tijd van internet leefden. En eens te kijken hoe social media zich in die tijd gedroegen. Niet dat het niet goed zou gaan met alle ontwikkelingen tot nu toe maar gewoon om nog eens op een rijtje te zetten hoe zaken zich hebben ontwikkeld. Hieronder een opzetje.

In verschillende presentaties wordt gesproken over de overgang van web 1.0 naar web 2.0. Daarbij wordt dan aangegeven dat bij web 1.0 informatie online komt en dat bij web 2.0 personen online komen. Een mooie samenvatting van veel ontwikkelingen die hier onder vallen, vind ik. Web 3.0 heeft als kenmerk dan dat zaken beter op elkaar worden afgestemd en bij web 4.0 is het zover dat het internet met ons mee kan denken.

Maar hoe ziet dan web 0.0 eruit? en van welke social media maakten we toen gebruik? Web 0.0 heeft volgens mij als kenmerk dat het van fysieke lokale netwerken gebruik maakt, die plaats en tijd afhankelijk zijn. In het netwerk zijn plaatsen en personen belangrijk. Plaatsen waar personen elkaar kunnen ontmoeten, ontspannen, werken en waar ze informatie kunnen halen.
Kenmerkende plaatsen voor ontmoeting zijn de straat, het café, de speeltuin, het park, thuis bij jezelf of bij vrienden. Kenmerkende plaatsen voor ontspanning zijn de discotheek, het theater en de bioscoop. Kenmerkende plaatsen voor werken zijn winkels, fabrieken en kantoren. Kenmerkende plaatsen van informatie zijn scholen en bibliotheken.
Op die verschillende plaatsen in het web 0.0 maken mensen gebruik van verschillende (social) media. Media die het mogelijk maken om te ontmoeten, ontspannen, werken en informatie ophalen. Meest gebruikte waarschijnlijk is de directe communicatie door middel van spraak waarbij twee of meer personen zich in dezelfde ruimte bevinden en door middel van hun stem ideeën, standpunten, meningen, gedachten enzovoort uit wisselen. Een ander veel gebruikt medium is schrift en beeld. Door middel van geschreven teksten, pictogrammen, foto’s, video’s wordt een boodschap overgedragen aan de ander. Een voorbeeld hiervan in de bibliotheek zijn de kaarten op de kop van de boekenrekken waarop staat welke boeken in het rek te vinden zijn. Een handig sorteermiddel waarmee je snel je weg vindt in de wereld van web 0.0.

Speciale aandacht in de web 0.0 wereld is er voor de jongeren. Zeker op het moment dat ze overlast veroorzaken op het moment dat ze zich vervelen (de zogenaamde hangjongeren). Ze nemen de openbare ruimte dan in beslag op een manier die afwijkt van hoe volwassenen dat doen…

Volgens mij valt er nog wel meer te schrijven over web 0.0 en de sociale media die we in die tijd gebruikten. Ben benieuwd hoe anderen hier over denken.

Tweede spreker op het symposium is Sjors Timmer. Sjors Timmer werkt bij Webjam. Webjam omschrijft zichzelf als volgt:

Webjam Solutions for social publishing and engagement allow you to create your own branded and customisable social media environment in which content is created and shared easily, communities grow naturally and social media networks integrate seamlessly.

De insteek van Timmer in zijn bijdrage is de vraag hoe je geld kunt verdienen aan social networksites. Een interessante bijdrage omdat die indirect aangeeft waar je leerlingen op moet wijzen op internet.

In de eerste plaats geeft Timmer aan dat geld verdienen met social networksites behoorlijk lastig is. Pas nadat Facebook 300 miljoen gebruikers had, werd het winstgevend. De vraag die je je kunt stellen is welke dienst bijvoorbeeld Facebook levert waar je geld voor wilt betalen.

Daarna behandelde hij de verschillende fasen waarin de marketing geld probeert te verdienen. Daarin zijn 3 rondes te onderscheiden. In ronde 1 probeert de marketing via een bannercampagne inkomsten te genereren. Timmer geeft aan dat het doorklikpercentage bij Facebook maar 0,04% is. Daar word je niet echt rijk van. Ronde 2 kenmerkt zich ook door een bannerreclame. Maar in deze ronde worden de demografische kenmerken meegenomen. Je krijgt banners te zien die aansluiten bij je interesses.

De marketing bouwt ook spelelementen in. Het invullen van gegevens levert je een soort status op. Hoe meer gegevens je invult hoe beter je bedient kunt worden met reclames. Een site “zegt” tegen zijn gebruikers: wil je van het geel in je scherm afkomen (geel staat voor de velden die je nog moet invullen) vul hier dan nog even je gegevens in. Een andere manier is door te zeggen: je hebt zoveel procent van je gegevens ingevuld. Wil je de 100% halen, vul dan nog deze gegevens in.

Google is hiervan een goed voorbeeld die de advertenties op een pagina afstemt op jouw voorkeuren. Op Preferences kun je zien welke voorkeuren Google over jou bewaart. Via deze link kom je ook op een pagina waarin je van dit soort zaken kunt uitsluiten (Opt-out).

Ronde 3 richt zich op je vrienden. Je zorgt er als marketingstrateeg voor dat de gebruiker weet wat zijn vrienden hebben gekozen. Voor hen is het daarom eerst zaak vast te stellen wie je echte vrienden online zijn. Voor Facebook houden zij aan dat een man per 150 vrienden, zo’n 5 echte vrienden heeft. Voor een vrouw is die verhouding 150:7.

Bij het aantal 150 verwees Timmer naar Dunbar’s number als groepsgrootte die een mens kan overzien om relaties te onderhouden.

Zaak is dus om de echte vrienden te vinden. Vriendschap wordt voor deze doeleinden heel zakelijk voorgesteld. Namelijk het aantal directe berichten die mensen naar elkaar sturen. Een voorbeeld waarbij “echte” vrienden van de andere vrienden werden gescheiden was de Whoppercampagne. Waarbij je vrienden kon offeren voor het bemachtigen van een whopper.

De beste manier waarop je marketing kunt krijgen is als je vrienden onderling reclame voor je laat maken. Bijvoorbeeld bij het verspreiden van virals (die volgens Timmer of Grof, Grappig of Geil moeten zijn) of 1 van hun vrienden wordt (het bedrijf een persoonlijk gezicht geeft die online veel te vinden is)
Nog meer manieren om vrienden te vinden:

  • Like-button, om makkelijk aan te geven dat je iets leuk vindt van een ander
  • De vraag moeten beantwoorden: zijn dit wellicht ook vrienden van jou?
  • Vragen aan de gebruiker of ze een advertentie goed of niet goed vinden
  • Aangeven dat 4 van jouw vrienden dit ook een leuk product vinden

Afgelopen donderdag was ik met mijn collega Jan Bulsink en oud-collega Elleke Verwaijen bij het psychologiesymposium georganiseerd door SSPN: Stichting Studieverenigingen Psychologieverenigingen Nederland. Op dit symposium stond social media en psychologie centraal.

Drie sprekers vulden het programma: dr. Marjolein Antheunis communicatiewetenschapper, Sjors Timmer, werkzaam bij Webjam en David Nieborg die bezig is met promotieonderzoek sociale netwerken in de politiek. De laatste spreker had ik al een keer gehoord. Niet zo vreemd want dit symposium werd samen met Studim Generale georganiseerd.

In het symposium stond de vraag naar de identiteit centraal. Waarbij het de vraag is of deze identiteitsvorming een spontaan proces is of dat er een bepaalde sturing achter zit.

In deel 1 over het verhaal van Marjolein Antheunis. In deel 2 het verhaal van Sjors Timmer. Over Davied Nieborg blogde ik al eerder toen ik het Studium Generale volgde .

Marjolein Antheunis vertelde op wat voor manieren je indrukken achter laat. Oorspronkelijk kun je op twee manieren indrukken achter laten: self-generated cues en other-generated cues. Oftewel indrukken waar je zelf verantwoordelijk voor bent en indrukken die veroozaakt worden door je omgeving. Op hyves, waar ze haar verhaal aan relateerde, zijn self-generated cues bijvoorbeeld je eigen profielfoto en other-generated cues de krabbels en foto’s van je vrienden.
Daarnaast is er nog sprake van system generated cues. Dat zijn bijvoorbeeld het aantal vrienden dat je op je hyves hebt staan.

Antheunis heeft onderzoek gedaan naar de aantrekkelijkheid van iemand op hyves. Die worden vooral veroorzaakt door de eerste twee cues. Het aantal vrienden geeft dus niet aan hoe aantrekkelijk iemand gevonden wordt. Het onderzoek is gedaan onder middelbare scholieren.

Verder ging Antheunis in op de vraag of je via de computer aan vriendschapsvorming kon doen. Bij vriendschappen gaat het om, zo gaf Antheunis aan, een aantal zaken: similarity, self-disclosure en question asking. Het blijkt dat mensen online meer over zich zelf vertellen en meer vragen stellen om erachter te komen wie de ander is.

Daarmee is aan twee van de drie voorwaarden om vriendschappen te vormen, voldaan.
Een ander punt waar Antheunis op in ging was de onzekerheidreducerende strategie die je toepast als je met iemand kennis maakt. Dit doe je passief (door te observeren), actief door rond te vragen in de omgeving van de ander en interactief door de ander direct vragen te stellen. In de tijd dat we alleen communiceerden via e-mail was het met elkaar online kennis maken moeilijk. Nu met het gluren op elkaars hyvespagina is dit veel gemakkelijk. Daarmee lijken sociale netwerksites steeds meer op de offline wereld.

Tot slot ging ze in op het onderwerp sociaal kapitaal. Dit is de volledige groep aan vriendschappen die je hebt. Ze maakte daarbij onderscheid in online vriendschappen, offline en mixed mode vriendschappen. Puur virtuele vrienden komt weinig voor. Mixed mode is vergelijkbaar met offline vriendschappen.

Nog een paar opmerkingen die ik wel interessant vond:

  • Communitievorming wordt versterkt door te zorgen voor gezamenlijke ervaringen
  • Mensen zien elkaar niet minder door meer online contacten.
  • Naast bridging (vage vriendschappen) en bonding (sterke vriendschappen) zorgen netwerksites ook voor maintained vriendschappen. Waarbij mensen elkaar weer terug hebben gevonden.