Gerard Dummer

Alles over Onderwijs en ICT.

Browsing Posts tagged thema 3

Vandaag zag ik via Twitter dat Digilokaal (i.smid) een multimediale prezi heeft gemaakt van de 15 meerwaarde punten die in een vorige post noemde. Een mooie presentatie waarin de punten naar voren komen.

Op de lijst zelf kwamen al waardevolle reacties binnen. Zo noemde Willem van Ravenstein al de zeven pijlers van de digitale didactiek. Verwoord in de meerwaarde zou ik de lijst dan kunnen aanvullen met:

ICT-competent zijn betekent dat je weet dat ICT een meerwaarde heeft om:

  • contacten te leggen met anderen (via mail, chat, videoconference, blog, microblog)
  • om je gedachten te structureren (met een mindmap, flowchart)
  • je te helpen nadenken over je eigen leren (in een procesweblog of wiki bijvoorbeeld)
  • je eigen ontwikkeling in beeld te brengen en anderen vragen daarop te reageren (via een digitaal portfolio en 360-graden feedback)

Volgens mij komen creëren en flexibilisering al terug in de punten die ik eerder noemde.

Arno Coenders noemde punten: tijdwinst, differentiëren (inspelen op zone van naaste ontwikkeling), nieuwe uitdaging voor de leraar

Verwoord in de meerwaarde van ICT krijg je dan het volgende nog.

ICT-competent zijn betekent dat je weet dat ICT een meerwaarde heeft om:

  • tijdwinst te boeken op de voorbereiding van je lessen omdat je materiaal kunt hergebruiken (bijvoorbeeld Wikiwijs)
  • in te spelen op het niveau van de leerling en de leerling een niveau hoger te brengen (educatieve software met diagnostische toetsen)

Peter te Riele geeft tenslotte aan dat je als leraar kritisch moet zijn wanneer je ICT nu wel en niet inzet. Dit komt precies overeen met het onderdeel Attitude uit de Kennisbasis ICT.

Waarom zou je ICT nu gebruiken in je onderwijs? Vanaf volgende week mogen we eerstejaars studenten weer voor het eerst lesgeven in ICT en onderwijs. Voor die gelegenheid heb ik, wat ik zo kon bedenken, de meerwaarde van ICT voor het inrichten van een rijke en krachte leeromgeving op een rijtje gezet. Aanvullingen hierop zijn natuurlijk van harte welkom.

ICT-competent zijn betekent dat je weet dat ICT een meerwaarde heeft om:

  1. een moeilijk onderwerp inzichtelijker te maken (gebruik van simulatie bijvoorbeeld op Rekenweb)
  2. leerlingen te motiveren (laten zien van beeldend materiaal bijvoorbeeld op SchoolTV)
  3. leerlingen te activeren (gebruik maken van een interactieve digibordles met bijvoorbeeld een mindmap)
  4. leerlingen te ondersteunen en laten oefenen met een onderwerp dat ze moeilijk vinden (laten oefenen met educatieve software)
  5. leerlingen uit te dagen met een onderwerp waarin ze uitblinken (laten werken met 3D-tekenprogramma’s, website-editors, robotica en maken van games)
  6. leerlingen zelfstandiger te maken (laten werken met een digiles, webwandeling of webquest)
  7. leerlingen te leren samenwerken (laten werken in een wiki of weblog)
  8. leren persoonlijker te maken (actuele informatie van internet halen of zoeken naar bronnen uit de eigen omgeving, bijvoorbeeld met het programma Google Earth. Ook samenstellen van eigen leeromgeving door bronnen te arrangeren)
    opdrachten authentieker te maken (verwerkingsopdrachten publiceren op bijvoorbeeld website, weblog of andere web 2.0 toepassing)
  9. vakoverstijgend werken te vergemakkelijken waardoor onderwijs meer betekenis krijgt (in een project kan ICT verbindende rol spelen)
  10. leeropbrengsten te verhogen (bijvoorbeeld het gebruik van digitale prentenboeken verhoogt de woordenschatontwikkeling van NT2-leerlingen)
  11. leerlingen voor te bereiden op leven en werken in de eenentwintigste eeuw (samenwerken, informatievaardig en mediawijs zijn)
  12. nieuwe vormen van creativiteit te stimuleren (digitale fotografie, muziek en digitale kunst).
  13. In te spelen op leerstijl (meerdere leerroutes klaarzetten voor leerlingen in ELO)
  14. In te spelen op meervoudige intelligenties (ICT-middelen gebruiken om in te zorgen voor verschillende verwerkingsopdrachten)
  15. Inzicht te krijgen in de vorderingen van leerlingen (met digitale toetsen, digitaal portfolio en (sociaal-emotioneel) leerlingvolgsysteem).

Met eerstejaars studenten ben ik deze week bezig geweest met de laatste les van thema 3. In deze laatste les hebben ze een elfje gemaakt en gepubliceerd. Doel van de les was:

Studenten kunnen in een blogbericht navertellen hoe je in de verschillende fasen van een stelles, die is opgebouwd volgens het directe instructiemodel, ICT kunt integreren.


Foto op voorkant gemaakt door Bananeman

Het lesdoel zelf hebben we nog geanalyseerd op inhoudscomponent, didactisch component en inhoudelijk component. Daarmee hebben we een link gelegd met het aanbod van Onderwijskunde en Pedagogiek. Waarbij we ook even hebben stil gestaan bij het feit hoe je leerlingen kunt motiveren. Verder hebben we de stappen van een stelles en het DI-model gevolgd.

Studenten hebben de afbeeldingen gezocht via Google. Maar dan wel de geavanceerde instelling (gelabeld voor hergebruik). Dat was voor alle studenten nieuw.

Bedoeling van de les was dus dat ze in een blogbericht zou zetten wat ze geleerd hadden. Alle studenten hebben een blog aangemaakt en we zullen ze stimuleren om hier gedurende de komende lessen steeds weer gebruik van te maken. Een mooi voorbeeld van een weblog is die van Evianne.

Ik heb gemerkt dat bij het uitleggen hoe een blog werkt je zeker niet alles in een keer kunt vertellen. Een volgende keer leg ik wel uit dat je bijvoorbeeld tags kunt toevoegen.

Foto gemaakt door mjk23.

Wat komt er bij kijken om dit met leerlingen te doen?

  • Zie voor de uitleg over hoe je een elfje met leerlingen kunt maken de taaldrukwerkplaats (en op deze pagina meer over dichten).
  • Laat leerlingen op Google zoeken naar Afbeeldingen die zijn gefilterd voor hergebruik.
  • Maak in Paint.net het gedicht op.
  • Plaats het op je klassenblog (met vermelding van de maker van de foto)

Komende week gaan de eerstejaars studenten van Hogeschool Domstad verder met thema 3. Ze hebben nu een modelles gehad en een les waarin ze een weblog hebben aangemaakt. Les 3 staat in het teken van het maken van een inleiding voor je les. We gaan hier op twee manieren aandacht aan besteden: Mindmappen en een tour in Google Earth. Voor beide onderdelen heb ik een screencast gemaakt zodat de studenten zelfstandig aan de slag kunnen gaan met deze onderwerpen. De screencast van de Google Earth tour zal ik ook toevoegen aan de website www.werkenmetgoogleearth.nl.

Het maken van de screencast heb ik gedaan in Camtasia.

Deze vraag stelden we onze eerstejaars studenten aan het begin van thema 3. In de onderstaande woordspin zie je de antwoorden.

Een gevarieerd beeld naar mijn idee.

Als je de studenten vraagt wat de afkorting I.C.T. betekent, moeten ze het antwoord schuldig blijven. International? Competenties?

Wat ik daar precies van moet denken, durf ik niet te zeggen.

In het kader van de modelles krijgen de studenten van mij ook een presentatie over de Olympische Winterspelen. Onderdeel van de presentatie is de powerpoint met alle sporten van de Olympische Winterspelen op een rijtje. In beeld en met infolinks erachter. Denk dat meer mensen daar gebruik van kunnen maken.

Binnenkort starten we op Hogeschool Domstad met het nieuwe thema voor de eerstejaars studenten. Dit thema, lesgeven en begeleiden, is het eerste thema waarin studenten met ICT en onderwijs te maken krijgen. In 5 bijeenkomsten willen we met de studenten aan de slag rondom dit thema. In de eerste bijeenkomst doen de studenten mee met een modelles. In die modelles laten we zien op welke manier je ICT in kunt zetten in de inleiding en de verwerking van de les. We volgen hier redelijk het Directe Instructiemodel. Waarover in een latere post meer

Onderdeel van de les is de individuele verwerking. Voor deze individuele verwerking heb ik bedacht om de studenten een webpad (of webwandeling) te laten doorlopen over het onderwerp dat centraal staat in de les: De Olympische Winterspelen van 2010. Omdat dit een wereldoriënterend thema is wil ook rekening houden met de georgrafische vierslag en het multiperspectivisch kijken.

De geografische vierslag bestaat uit de volgende onderdelen:

  • Waarnemen/beschrijven: wat zie ik? waar zie ik het? hoe ziet het eruit?
  • Herkennen: heb ik dat ergens anders meer gezien?
  • Verklaren: hoe komt dat? Waarom daar? Waarom niet ergens anders?
  • Waarderen: wat vind ik ervan? Wat vinden anderen ervan? Kan het ook anders?

Bij multiperspectivisch kijken belicht je een onderwerp vanuit verschillende invalshoeken:

  1. Economisch
  2. Sociaal
  3. Politiek
  4. Cultureel
  5. Individueel
  6. Natuurlijk

In deze post ga ik alleen in op de geografische vierslag.


Waarneemvraag

Een waarneemvraag in het kader van de Olympische Winterspelen zou kunnen zijn:


Waar worden de Olympische Winterspelen in 2010 gehouden?

Het antwoord op zo’n vraag kun je gemakkelijk opzoeken. Dat kan op verschillende manieren. In een webwandeling kun je de vraag direct koppelen aan een website. Bijvoorbeeld door onder de vraag te verwijzen naar het portaal van WikiKids over de Olympische Winterspelen. Je kunt ook via een zoekmachine deze vraag beantwoorden door zoektermen te gebruiken.

Zo geven de zoekwoorden Olympische Winterspelen op de kinderzoekmachine meestersipke.nl het volgende resultaat.

Herkenningsvraag
De tweede stap uit de geografische vierslag is de vraag of ik het herken. Heb ik het ergens anders meer gezien. Een vraag in dit kader zou kunnen zijn:

Waar zijn in voorgaande jaren Olympische Winterspelen georganiseerd?

Ook die vraag is redelijk makkelijk te beantwoorden met behulp van internet door het geven van een website of zoekopdracht.

Verklaringsvraag
Bij de de derde vraag in de geografische vierslag gaat het om verklaren. Een voorbeeld van zo’n vraag zou, in het kader van de Olympische Winterspelen 2010, kunnen zijn:

Hoe komt het dat de Olympische Winterspelen wel in Vancouver, Canada georganiseerd kunnen worden en niet in Nepal in het Himalayagebergte?

Bij deze vraag kun je hoogstwaarschijnlijk niet uit met één website waarop je het antwoord kunt vinden. Bij deze vraag moet je verschillende feiten en begrippen, kennis en inzichten met elkaar kunnen combineren. Moet je informatie van verschillende websites met elkaar combineren. Moet je weten naar wat voor soort informatie je op zoek bent om het antwoord te kunnen geven.

De verklaringsvraag is wel wezenlijk voor de aardrijkskunde omdat je verschijnselen met elkaar in verband brengt. Maar het lijkt me voor leerlingen van het basisonderwijs erg lastig om dat zelfstandig te doen.

Om de vraag te kunnen beantwoorden moet je eerst antwoord hebben op vragen die er voor zorgen dat je kennis en inzicht krijgt.

Je moet als leerling weten dat de Olympische Spelen veel geld kosten. Geld dat nodig is om stadions te kunnen bouwen, onderkomens voor de sporters te kunnen bouwen en infrastructuur om sporters te vervoeren. De plek waar de Spelen plaats vinden moet stabiel zijn zodat de sporters geen gevaar lopen. De Spelen worden gehouden in een land dat de Spelen belangrijk vind om te organiseren omdat het bijvoorbeeld zelf ook meedoet met de winterspelen. En natuurlijk moet het landschap geschikt zijn om winterspelen in te houden.

Om leerlingen met behulp van een webwandeling zo ver te krijgen dat ze een verklaringsvraag kunnen beantwoorden moet je hen veel vragen laten beantwoorden die hen op weg helpen. Voorzetjes geven zodat het antwoord daaruit logisch volgt. In het geval van bovenstaande vraag moet je ook nog eens de situatie vergelijken van Canada en Nepal.

Waarderingsvraag
Een waarderingsvraag kan ook alleen maar beantwoord worden als eerst kennis- en begripsvragen zijn gesteld. De vraag:


Wat vind je van de Olympische Winterspelen

kun je alleen maar goed beantwoorden als je weet wat de Olympische Winterspelen inhouden. En die vraag (wat houden de Olympische Winterspelen in) zou je moeten onderverdelen weer in subvragen die ervoor zorgen dat je geen al te globaal antwoord krijgt (als je dat niet wilt).

Conclusie
Kortom: een webwandeling leent zich gemakkelijk voor het beantwoorden van waarnemings- en herkenningsvragen en een stuk lastiger voor verklarings- en waarderingsvragen.

De afgelopen jaren zijn we op Hogeschool Domstad druk bezig geweest met het vormgeven van het onderwijs rondom ICT en onderwijs aan de eerstejaars studenten. Deze ontwikkeling werden door verschillende factoren beïnvloed. De grootste factor is dat we een aantal jaren geleden zijn overgestapt van een modulair curriculum naar een competentiegericht curriculum. Deze overstap zorgde er voor dat er opnieuw nagedacht moest worden over de manier van lesgeven, begeleiden, feedback en toetsing. Dit gold natuurlijk voor alle vakken.

In het modulaire onderwijs gaf je als vaksectie een opdracht aan studenten die jijzelf kon aftekenen. De student kreeg voor de opdracht 1 of 2 studiepunten. In de loop van de tijd groeiden de modules van de verschillende vaksecties gelukkig al meer naar elkaar toe. Zo hadden we in het tweede jaar vanuit ICT een gezamenlijke module met Nederlands en Wereldoriëntatie. In deze gezamenlijke module maakte de student kennis met vakoverstijgend werken en kreeg daarbij input vanuit de verschillende specialisaties. De student leverde voor elk vak een deel van de opdracht in en deze werd onder aparte codes weer afgetekend.

Bij het invoeren van het competentiegericht opleiden zocht iedereen weer zijn eigen draai en kwam de samenwerking tussen de verschillende vaksecties in eerste instantie op een lag pitje te staan. Gelukkig zijn we nu ook in dit systeem weer naar elkaar toegegroeid (aan het groeien) en werken studenten nu in een leerarrangement aan vakoverstijgend werken en laten ze zien in hun assessment wat ze hier van geleerd hebben.

Maar goed. De afgelopen jaren hebben we dus aardig wat veranderingen doorgemaakt. Die veranderingen zijn ook steeds gemonitord door de opleiding. Heel goed om te kijken hoe de docenten en de studenten de veranderingen hebben beleefd. Wat duidelijk was is dat het vooral zoeken was naar de juiste vorm. Er waren (en zijn) veel vragen. Hoe zorg je voor gezamenlijkheid en hoe behoud je de vakspecifieke invalshoeken. Hoe verhoudt zich sturing tot vragen van studenten? Hoe verhoudt docentonafhankelijke toetsing (in het assessment) zich tot kwaliteitsbewaking? Het is een voortdurend proces dat interessant is om te doorlopen.

Voor de eerstejaars begint binnenkort het nieuwe programma rondom ICT en onderwijs. Vorig jaar heb ik in het kader van mijn zelfbeoordeling professionele ontwikkeling van de VELON voor de eerstejaars een verzameldocument samen gesteld (zie hier voor eerdere berichten van over dat thema).

Vorig jaar stond voor mij erg de inhoud centraal die ik wilde overbrengen. De didactiek die ik hier bij wilde toepassen om dit te doen was nog in ontwikkeling. Dit jaar wil ik hier nog weer een extra slag in maken. Vooral omdat ik nog niet tevreden ben over de uitwerking van thema 3 van vorig jaar.

Wat zijn mijn uitgangspunten bij de didactiek die ik dit jaar wil uitproberen? Dat zijn er een aantal:

  • koppeling maken tussen theorie en praktijk in de les
  • actief bezig zijn met de stof
  • peerfeedback geven
  • lesgeven aan elkaar

Waarom deze uitgangspunten? Uit onderzoek dat ik uitvoer in het kader van het lectoraat Kantelende Kennis blijkt dat studenten het erg lastig vinden om de koppeling tussen theorie en praktijk te leggen. Ze waarderen het erg als de docent hen hierbij helpt. Dit jaar beginnen we daarom met een modelles waarin we de studenten laten ervaren op wat voor manier je ICT in het onderwijs kunt integreren. Deze les evalueren de studenten. In de les wordt duidelijk op welke manier je ICT kunt gebruiken voor de introductie van je les, voor de verwerking en voor de afsluiting. Meer hierover zal ik in een volgende post schrijven. We willen in de les een goede afwisseling maken tussen informatieoverdracht en zelf actief aan het werk gaan. Alleen theorie kunnen studenten zelf ook bestuderen en alleen praktijk is voor studenten ook niet waardevol. Juist de afwisseling maakt de lessen goed. Studenten moeten in staat zijn om elkaar met behulp van vakspecifieke criteria te helpen. Tot slot willen we graag zien hoe studenten het zich eigen hebben gemaakt en moeten ze ontwikkelde lessen op elkaar uitproberen.

Tot slot neem ik uit de verkenning die ik heb gemaakt rondom de leraardingen mee dat studenten een weblog moeten beginnen waarin ze hun ontwikkeling bijhouden. Peerfeedback zal op deze weblog een belangrijke rol spelen.

Wordt vervolgd.

Gisteren kreeg ik het bericht dat ik nu echt ben geregistreerd als lerarenopleider. Ik ben er ongeveer een jaar mee bezig geweest en het is me goed bevallen moet ik zeggen. Het was voor mij een mooie aanleiding verder te verdiepen en te professionaliseren.


03-04-2009

Via deze plek daarom mijn dank aan iedereen (collega’s, peer-coach, peer-beoordelaars en studenten) voor hun bijdrage aan deze registratie. Ik ben er blij mee.